| |
1.2.2 tactische televisie
Een eigen plek is iets dat de tactische televisiemaker meestal mist.
Hij moet een ruimte voor zichzelf weten te creëren, veroveren op een
wijze afhankelijk van de situatie waarin hij zich bevindt. Daarbij heeft
hij het voordeel van de tactiek: de onafhankelijkheid en flexibiliteit
vergelijkbaar met de consumptietactiek van De Certeau (1984). De tactische
producent heeft niet altijd de macht produktie- omstandigheden naar zijn
hand te zetten. Maar hij heeft wel - net als de consument - de vrijheid
de omstandigheden in een gegeven situatie op eigen wijze te gebruiken.
Door de wijze van gebruik creëert de tacticus zijn betekenis, zijn
produkt.
De tactische televisiemaker heeft niet te maken met institutionele belangen
en procedures die strategische televisie kenmerken. De onafhankelijke positie
en werkwijze stellen de tactische televisiemaker in staat van gevestigde
televisiepraktijken af te wijken. Zo kan hij experimenteren met de techniek,
de vorm en de inhoud van een produktie. Een televisieprogramma noem ik
dan ook tactisch als er technische, esthetische en/of inhoudelijk vernieuwende
of afwijkende elementen in zitten.
Als voorbeeld van een technische 'afwijking' wil ik het gebruik
van de camcorder noemen, waarvan veel tactische televisiemakers zich bedienen.
Door het handzame formaat biedt deze camera de mogelijkheid ergens snel
ter plekke aanwezig te zijn, ook daar waar professionele cameraploegen
geen toegang hebben. Deze bewegingsvrijheid kan een totaal ander beeldmateriaal
opleveren dan de televisiekijker gewend is. Het maakt namelijk nogal uit
of je met een cameraploeg vanaf een veilige afstand een demonstratie filmt,
of dat je je met een camcorder onder de demonstranten schaart. het verschil
in invalshoek zal ook een verschillend beeldmateriaal opleveren. Dit blijkt
bijvoorbeeld uit de beelden die Paul Garrin maakte tijdens rassenrellen
in New York in 1988. Deze camcorderactivist was door het onopvallende formaat
van zijn camera in staat het politiegeweld te registreren (Van Leeuwen,
1993).
Naast de bewegingsvrijheid heeft de camcorder nog een ander voordeel,
namelijk de relatief lage prijs. Hierdoor draagt deze camera bij tot de
democratisering van het medium televisie. Steeds meer mensen zijn in het
bezit van zo'n speeltje (of wapen: afhankelijk van het gebruik dat men
ervan maakt) en gebruiken deze niet alleen om de verjaarspartijtjes van
hun kinderen vast te leggen. Zo was de beruchte 'Rodney King' video het
resultaat van de toevallige aanwezigheid van George Holliday, die vanaf
z'n balkon zijn pas aangeschafte camcorder stond uit te proberen (Rosenberg,
1991).
Het volgende kenmerk is de esthetische verkenning van het medium.
Door zijn onafhankelijke positie is de tactische televisiemaker niet gebonden
aan een huisstijl van een omroep. Ook hoeft hij geen rekening te houden
met gevestigde codes omtrent beeldtaal of vormgeving. De tactische
televisiemaker kan via vormexperimenten tot een esthetisch of stilistisch
vernieuwend programma komen. Dit kan zo ver gaan dat de grens tussen televisie
en kunst wordt overschreden. Denk maar aan een kunstprogramma dat niet
zozeer over kunst gaat, maar zelf als kunst bedoeld is. De programmamaker
ziet zichzelf dan als kunstenaar die de televisie gebruikt als kunstobject.
Het laatste kenmerk is de inhoudelijke afwijking van gevestigde
televisiepraktijken. Informatie die bijdraagt tot andere gezichtspunten
dan welke de gevestigde media ons voorschotelen. Hierbij denk ik bijvoorbeeld
aan standpunten van multi-culturele minderheden, vertegenwoordigers van
politiek oppositionele organisaties of lokale belangengroeperingen. Of
bijvoorbeeld aan onderwerpen die in het gevestigde media-aanbod niet of
nauwelijks aan bod komen: omdat zij grenzen aan taboes; omdat zij te complex
worden geacht om binnen een paar minuten aan het grote publiek uit te leggen;
omdat zij te zeer zijn gericht op specifieke publieksgroepen; of omdat
zij impopulaire of politiek gevoelige informatie blootleggen. Tot slot
kan de tactische televisiemaker experimenteren met de betekenis van zijn
informatie. Door het gebruik van dubbelzinnigheden en humor kan hij bewust
verwarring zaaien, om zo het publiek tot nadenken aan te zetten over de
inhoud van het produkt.
Een televisieproduktie kun je dus een tactisch gehalte toeschrijven
als er technisch, esthetisch of inhoudelijk vernieuwende elementen in zitten.
Een verandering van techniek kan gevolgen hebben voor de vorm en inhoud
van een programma. Maar esthetische of inhoudelijke vernieuwing kan ook
door conventionele techniek tot stand komen. Tactische televisie is dus
geen synoniem voor marginale vormen als public access of lokale omroep,
maar kun je ook binnen de mainstream vinden. Gevestigde omroepen kunnen
tactische televisiebeelden uitzenden. Zo heeft de 'Rodney King' video wereldwijd
op gevestigde kanalen zendtijd gekregen waar een gemiddeld televisieproducent
alleen maar van kan dromen. Of omroepen kunnen ruimte maken voor
onafhankelijke produkties zoals bij Channel Four vaak gebeurt. Programma's
die door de mainstream zelf worden geproduceerd hoeven niet af te wijken
qua faciliteiten of techniek, want die zijn in ruime mate voorhanden. Binnen
gevestigde instituties zit het tactische moment vooral in de inhoud of
vorm van een programma. Ik denk hierbij aan een programma als 'Achterwerk
in de kast' van de VPRO, waarbij kinderen de kans krijgen in een (zeer)
kort tijdsbestek hun hart te luchten. Hier wordt de inhoud van het programma
dus door de kinderen zelf bepaald.
De afwijking van gevestigde televisieconventies heeft niet persé
te maken met amateurisme, maar kan een welbewuste keuze van een professionele
programmamaker zijn die wil ontsnappen aan het keurslijf van een strategische
werkwijze. Een weinig integer voorbeeld hiervan is "America's Funniest
Home Video's" waarbij de ingezonden camcorderprodukties worden vergezeld
van belerend commentaar, met als schijnbaar doel een grensverleggend leedvermaak.
Het resultaat is een goedkope manier om hoge kijkcijfers te behalen.
Als tactische televisiemaker zijn er genoeg redenen om kritiek te hebben
op de strategische positie. Want een aantal strategische belangen staan
een vrije en objectieve beeldvorming, en dus een realistische representatie
van de werkelijkheid, in de weg. Bijvoorbeeld wanneer een programmamaker
de nieuwswaarde van zijn onderwerp wil vergroten (met het oog op de kijkcijfers)
door het sensationeler te brengen dan het in feite is. Een ander voorbeeld
is wanneer een omroep besluit een 'ongepaste' film niet uit te zenden,
uit angst de achterban teleur te stellen. Dit was onlangs nog het geval
met 'The last Temptation of Christ', bij de IKON notabene!
Objectiviteit is dus een problematisch begrip. Alleen al door de selectie
van wat de moeite waard is om te filmen en uit te zenden, staat deze onder
druk. Bewust of onbewust, in meer of mindere mate, er is altijd sprake
van subjectiviteit. Zelfs in een vrij, tolerant en progressief land als
Nederland wordt er geredeneerd en geselecteerd vanuit een Westerse, christelijke,
kapitalistische en dus bepaalde invalshoek. Maar subjectitiveit hoeft geen
probleem te zijn, zolang er maar sprake is van diversiteit in het televisie-aanbod.
Diversiteit aan meningen, mensen en onderwerpen die in de samenleving voorkomen,
en de wijze waarop deze belicht worden. De kritiek van tactici is dat
het daar bij de strategische televisie vaak aan ontbreekt.
De motieven om tactische televisie te maken kunnen verschillend zijn,
maar komen overeen in het streven naar verandering. Naar het verleggen
van grenzen uit onvrede met de huidige situatie op televisiegebied. Deze
kenmerkt zich door een toenemende commercialisatie en een explosieve groei
van het televisie-aanbod. Kabeltelevisie, satelliet en digitale compressie
(een methode om meer televisiebeelden tegelijkertijd te transporteren)
zorgen voor een onbegrensde uitbreiding van de mogelijkheden (Van Stegeren,
1993). De wereld als 'global village' met Amerika als dominante marktleider.
Het lokale, cultureel specifieke en politiek oppositionele neigt hierdoor
op te lossen (Dowmunt, 1993, p. 1).
Maar tegelijkertijd is er ook een andere tendens waarneembaar. Samenlevingen
worden steeds multi-cultureler en het publiek wordt niet meer altijd als
een homogene massa gezien. Zelfs adverteerders beginnen om programma's
te vragen die zijn gericht op specifieke publieksgroepen. Van Stegeren
(1993) verwacht dan ook dat het met de televisie steeds meer de richting
van de tijdschriftenmarkt opgaat: elke doelgroep zijn eigen net.
In deze tendens passen de media-activisten,
die hun boodschap uitzenden via public access-kanalen; of kleine produktiemaatschappijen,
die de grenzen van de gevestigde omroepen commercieel aftasten; of kunst-projecten,
die de laatste technische trucs gebruiken om een nieuwe televisie-taal
te ontwikkelen; of onafhankelijke TV stations, die zich hevig verzetten
tegen politieke invloeden; of opmerkelijke figuren binnen grote televisie-instituten,
die radikaal nieuwe programma-concepten ontwikkelen (folder N5M).
Wereldwijde kleinschalige initiatieven van tactici die zich naast (of binnen)
gevestigde instituties bezig houden met technische, esthetische en/of inhoudelijke
vernieuwing van het medium televisie. En die op deze wijze bijdragen tot
een grotere diversiteit en een voortdurende beweging in het totale televisie-aanbod.
|
|